Slopende drukte in de duistere oorlogstrams

De Tweede Wereldoorlog was voor de NZH op verschillende fronten een slijtageslag.

Een dienstregeling uit de winter van 1943/1944 met een 'afgeschermde' zaklantaarn. Collectie Stichting Historisch Genootschap De Blauwe Tram

Een dienstregeling uit de winter van 1943/1944 met een ‘afgeschermde’ zaklantaarn. Collectie Stichting Historisch Genootschap De Blauwe Tram

Het aantal passagiers nam enorm toe, terwijl de mogelijkheden om de trams rijdende te houden zienderogen afnamen. Met verduisterde trams, opgelapt in steenkoude remises en beschoten door Geallieerde vliegtuigen, worstelde de NZH zich de oorlog door. Tot stakend personeel, een totaal gebrek aan stroom en het verzet de lijnen volkomen stil legden.

Diesel en benzine werden in de loop van de oorlog steeds schaarser, waardoor het autoverkeer en later ook de busdiensten nagenoeg wegvielen. De tram en de trein waren tot september 1944 de enige betrouwbare vervoermiddelen in de Randstad. De reizigersaantallen van de NZH groeiden dan ook spectaculair. In 1942 vervoerde de maatschappij 48 miljoen mensen, in 1943 59 miljoen en over de eerste negen maanden van 1944 nog altijd 50 miljoen. Om al die reizigers te herbergen, koppelde de NZH extra wagens aan tot er geen rijtuig meer beschikbaar was. Maar ook daarmee redde ze het uiteindelijk niet.

Om de toeloop een beetje in te dammen en tegelijkertijd wat stroom te besparen, schrapte de NZH een flink aantal haltes. Dat gebrek aan stroom was trouwens een steeds groter probleem. Geregeld stonden de trams stil door een haperende elektriciteitsvoorziening. De maatschappij vroeg de autoriteiten toestemming om de tarieven drastisch te verhogen, om zo de toestroom van reizigers verder in te perken. Ze mocht de prijzen inderdaad laten stijgen, maar slechts een klein beetje. Veel te weinig om de stormloop op de tram een halt toe te roepen.

Het personeel, dat het met steeds minder mensen moest zien te rooien, kreeg het voortdurend zwaarder. De conducteurs moesten na zonsondergang in overvolle en volledig verduisterde wagens hun werk doen bij het zwakke licht van een afgeschermde zaklamp. Om de trams in het donker nog een beetje te laten opvallen, had de NZH op de stootbalken opvallende witte vlekken geschilderd. Bovendien had ze op drukke baanvakken extra veiligheidspersoneel ingezet. Toch begonnen de ritten ’s avonds steeds zenuwslopender te worden voor de bestuurders.

Minstens zo beklagenswaardig waren de medewerkers van de remises. Er was geen brandstof om de ruimtes te verwarmen, waardoor ze de trams in de winter in ijzige hallen moesten repareren. Als ze onderdelen van een onderstel wilden vervangen, moesten ze eerst grote blokken sneeuw en ijs wegbikken voordat ze er überhaupt bij konden. En als ze dat hadden gedaan, was het maar de vraag of ze de juiste onderdelen hadden. Noodzakelijke leveringen duurden geen weken meer, maar maanden – als ze al kwamen. En wat er voorradig was, verdween geregeld in Duitse zakken. De bezetters hebben de trams zelf redelijk met rust gelaten, maar plunderden de magazijnen naar hartenlust. Desondanks, ondanks al die technische ellende, stelde de NZH-directie na de oorlog tevreden vast dat ze geen materieel buiten gebruik hoefde te stellen.

Tegen het einde van de oorlog nam het gevaar voor trampersoneel en reizigers alarmerend toe. In de aanloop naar Market Garden begonnen Geallieerde jagers trams en treinen steeds vaker onder vuur te namen. Bij die beschietingen zijn verschillende doden en gewonden gevallen. Rond die tijd was het echter bijna gedaan met het tramvervoer van de NZH. In september 1944 legden de NZH-medewerkers in Zuid-Holland het werk neer als steunbetuiging aan de Spoorwegstaking. In Noord-Holland ging het werk wel door, totdat de maatschappij in oktober 1944 wegens stroomgebrek de trams ook daar in de remises moest houden. Alleen in Waterland maakte ze nog één rit per dag. Het verzet waarschuwde de NZH daarmee te stoppen, wat na een volgende trambeschieting ook inderdaad gebeurde. Een laatste oorlogsrit van Purmerend naar Amsterdam, op last van de Duitsers uitgevoerd op 14 maart 1945, eindigde in een drama. Het verzet blies de Slochterbrug bij Zunderdorp op, net toen daar een motorwagen overheen reed. De brug en de tram werden vernield en zes NZH-medewerkers raakten gewond.

Tijdens de laatste oorlogsmaanden probeerde de NZH haar personeel zo goed en zo kwaad als het kon aan het werk te houden, of ze nu staakten of niet. Ze zette mensen in als bewakers bij de remises, liet hen houten wachthokjes, halteplaatsen en dergelijke ontmantelen en veilig opbergen en zette medewerkers in in het Haarlemse Centraal Keukenbedrijf – waar de NZH-mannen in de loop van de Hongerwinter een groeiend enthousiasme voor ontwikkelden.

Na de bevrijding duurde het nog vele weken voordat de trams weer de straat op konden. Het materieel en de trambanen moesten eerst nagekeken en gereviseerd worden. Bovendien duurde het enige tijd voordat op alle plaatsen de stroomvoorziening voldoende was hersteld. Op 19 juni ging de eerste NZH-tram weer rijden en op 2 juli waren alle lijnen weer actief, hoewel er op de meeste plaatsen nog maar mondjesmaat trams reden. Daarna zou het nog vele, vele maanden duren voordat de ergste oorlogsschade – waar onder de door het verzet opgeblazen brug, drie door de Duitsers vernietigde trambruggen en één door de Geallieerden gebombardeerd brugdeel – weer was hersteld.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s