De koplamp-affaire

Foto: collectie Stichting Historisch Genootschap De Blauwe Tram

Foto: collectie Stichting Historisch Genootschap De Blauwe Tram

Het moet in het begin van de twintigste eeuw geen pretje zijn geweest om op de Rijksstraatweg tussen Haarlem en Amsterdam te rijden.

Het was een smalle, onverlichte klinkerweg, die niet bijster goed was onderhouden. Ze was ooit aangelegd voor ruiters, koetsen en diligences, en die hadden zich er heel aardig op kunnen redden. Zo druk was het er nou ook weer niet en de snelheid van de verkeersdeelnemers was zelden hoger dan dat van een dravend paard. Maar toen kwamen opeens de auto en de tram. En het licht.

Waarschijnlijk hadden de plannenmakers van de ESM het achttiende- en negentiende-eeuwse gekeutel op de Rijksstraatweg voor ogen toen ze de trambanen tussen Haarlem en Amsterdam ontwierpen. De lijnen kwamen aan weerszijden van de weg te liggen, zonder enige afscheiding of afrastering. De Rijksstraatweg kreeg er over vrijwel de hele lengte wel een metertje of wat bij – anders was het zo smal dat de koetsen het lakwerk van de tramwagens zouden schrapen – maar daar bleef het wel bij.

Vrijwel onmiddellijk na de ingebruikname van de tram, doken er problemen op. Verkeer moest het zuidelijke spoor op enkele plaatsen kruisen om bij woningen of zijwegen te komen, en wandelaars begonnen de trambaan te gebruiken als looppad. Kennelijk voelden zich daar veiliger en comfortabeler dan tussen het gewone verkeer. In de paar jaar na de opening van de tramlijn waren er al verschillende ernstige ongelukken gebeurd.

Hoewel de meeste ongevallen te wijten waren aan onvoorzichtigheid of roekeloosheid van andere weggebruikers, voelde de trammaatschappij zich verantwoordelijk voor de ellende. Ze dacht die oplossing te hebben gevonden in het aanbrengen van schijnwerpers op de tram. De lampen schenen minstens vijftig meter ver, zodat de trambestuurder goed kon zien wat zich op de rails voor hem bevond en tijdig kon remmen.

Een fantastisch plan, zolang je de zaak vanuit de tram blijft bekijken. Voor de andere weggebruikers namen de problemen alleen maar toe. Het licht was namelijk zo fel dat het tegenliggers volkomen verblindde. Haarlems Dagblad schrijft in het voorjaar van 1907 bijvoorbeeld over de onfortuinlijke zaak van melkslijter Willemse uit De Liede, die met zijn hondenkar ’s avonds op weg was naar huis. Door het felle licht van een voorbijrijdende tram raakten hond en melkboer totaal gedesoriënteerd, waardoor ze met kar en al in de Amsterdamse Vaart belandden. De melkboer raakte bekneld tussen wal en kar en kon zich niet meer verroeren. Het liep voor hem uiteindelijk goed af, want een voorbijganger slaagde er in hem te bevrijden. Maar zijn hond verdronk.

Met automobilisten hadden de trambestuurders iets meer compassie. Ze doofden de lichten als ze in de verte een wagen zagen aankomen. Maar in 1908 was ook dat volgens enkele krantenberichten voorbij. Waarom is niet helemaal duidelijk. Misschien was het verkeer zo toegenomen dat de trambestuurders het gevoel hadden dat ze wel konden blíjven dimmen. Hoe dan ook, het licht bleef steeds vaker schijnen en daar kregen automobilisten genoeg van.

In 1909 dreigde de kwestie zelfs een overheidszaak te worden. Een groep autobestuurders had een advocaat in de hand genomen om te kijken of ze bij de regering een klacht tegen de ESM konden indienen. Volgens die advocaat bestreken de schijnwerpers niet een vlak van vijftig, maar van driehonderd meter. Die zee van licht maakte paarden schichtig en liet bestuurders het spoor bijster raken, waardoor al menig auto tegen een telegraafpaal was gebotst. De ESM hield vol dat trambestuurders het licht netjes uit deden als ze een auto zagen aankomen, maar de advocaat maakte van dat argument gehakt. Als de trambestuurders dat al deden, konden ze nooit op driehonderd meter afstand een voertuig zien. Voordat ze dat opmerkten, had de verblinde autobestuurder zijn wagen al lang in de prak gereden.

De trammaatschappij bond hierna wat in. Ze droeg de wagenvoerders op om de schijnwerper te doven zolang de omstandigheden en de snelheid van de tram dat toelieten. En als ze het licht lieten branden, moesten ze dat onmiddellijk dimmen als ze een auto zagen. In de praktijk kwam het er op neer dat de wagenvoerders de schijnwerper tijdens een rit gedoofd lieten en haar alleen even aanzetten als ze onraad vermoedden.

Tot het op 20 maart 1916 helemaal verkeerd ging.

Een vrachtwagenchauffeur uit Rotterdam raakte ’s avonds rond half negen tussen Halfweg en Sloterdijk van de weg door een kapotte stuurinrichting en kwam op het spoor terecht. De bestuurder van een tram uit Haarlem had zijn schijnwerper niet aangezet, want dit was doorgaans een veilig stuk, en zag de doorgeschoten vrachtwagen te laat. De chauffeur van die auto was kennelijk ook niet de snuggerste, want hij had zijn eigen verlichting uitgezet. In het volkomen duister ramde de tram de vrachtauto, waarbij twee vrouwen ernstig gewond raakten. Eén van hen overleed later in het ziekenhuis.

Na dit ongeval verordonneerde de directie van de ESM dat de schijnwerpers weer aan gingen. Jammer voor het andere verkeer, maar de veiligheid van de trampassagiers ging voor. De situatie verbeterde iets na 1929 toen over de hele lengte van de Rijksstraatweg beide tramsporen naar de noordkant waren verlegd naar een min of meer vrijliggende trambaan. Maar ook toen bleven de lichten aan.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s