Een lijn met een klein beetje toekomst

Foto: Collectie Stichting Historisch Genootschap De Blauwe Tram

Foto: Collectie Stichting Historisch Genootschap De Blauwe Tram

De elektrische tram Haarlem-Bloemendaal was na Haarlem-Zandvoort en de Ceintuurbaan de derde lijn die het ENET-duo D.E.L. van den Arend en J.A.G. van der Steur uit hun hoge hoed toverden. Het was de meest sobere van al hun projecten. Toen de lijn op 5 oktober 1900 open ging, stelde het nog weinig voor. Het was een 2,7 kilometer lang, volledig geïsoleerd liggend smalspoor dat zich in het begin door een vrijwel leeg landschap naar Bloemendaal bewoog. Het was enkelsporig uitgevoerd. Meer was in 1900 ook nog niet nodig. Een enkele wisselplaats in het midden van de lijn, waar tegemoetkomende trams elkaar konden passeren, volstond.

Voor Bloemendaal was de tram echter een hele uitkomst. De bewoners hadden zich tot dan toe moeten redden met een eenvoudige paarden-tramomnibus: een logge, slome wagen die in de volksmond de oneerbiedige, maar veelzeggende namen ‘hobbelkar’ en ‘rammelkast’ had meegekregen. Hoewel de tram maar een deel van het dorp bediende, was het verkeer op de lijn heel behoorlijk.

Dat verbeterde nog verder toen enige ondernemende figuren huizen begonnen te bouwen langs het Haarlemse gedeelte van de lijn. De fraaie slinger die de tramlijn maakte in de bocht van de spoorlijn naar Uitgeest, was al snel de ruggengraat van het Kleverpark. En de ooit naamloze trambaan werd de Van Ostadestraat en de Kleverparkweg.

In 1908 kreeg de tramlijn een aansluiting op het Stationsplein, waardoor het isolement van de Bloemendaalse tram was opgeheven. En in 1914 ging het reizen nog makkelijker toen de ESM – die de boel tien jaar daarvoor had overgenomen – de capaciteit van de baan vergrootte. Over de hele lengte kwam dubbelspoor te liggen, behalve in de onderdoorgang in de Kruisweg in Haarlem. Nog mooier werd het toen de trammaatschappij in 1922 de exploitatie van haar lijnen op de schop nam. Ze sloot de Bloemendaalse tramdienst aan op de Ceintuurbaan, waardoor reizigers zonder over te stappen meteen een ritje door Haarlem konden maken.

De maatregel was niet alleen bedoeld om de trampassagiers te plezieren. Door de koppeling kon de ESM met minder wagens en minder mensen toe op de baan. Het zal ongetwijfeld ook zijn bedoeld om de tegenvallende passagiersaantallen op de Ceintuurbaan een beetje op te krikken. Veel maakte de inzet van de Bloemendaalse tramreizigers uiteindelijk niet uit. In 1929, vijf jaar nadat ze onder het bewind van de NZH waren komen te vallen, sloot een deel van de Ceintuurbaan en stond de Bloemendaalse tram weer helemaal op eigen benen.

De dienst ging verder als stadslijn 2. Het was nog steeds een tram met toekomst, want na de loskoppeling van de Ceintuurbaan waren er plannen om de trambaan om te bouwen tot een normaalsporige dienst. De crisis gooide echter roet in het eten en slijtage deed de rest. Toen enkele jaren later bleek dat het materieel en de baan helemaal op waren, sloot het lijntje naar Bloemendaal. Op 6 september 1934 is ze vervangen door een bus. Waarmee ze wel, met een marge van enkele maanden tot een jaar, de grootste volhouder was van alle lijnen naar Overveen en Bloemendaal.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s