Het rondje Haarlem was te hoog gegrepen

De geschiedenis van de Ceintuurbaan in Haarlem is moeiteloos samen te vatten in twee woorden: ‘net niet’. De tramlijn was net niet de eerste elektrische lijn in Nederland, ze was net niet goed aangelegd en had net niet de goede route door de stad. In één ding liep de Ceintuurbaan wel voorop: ze was de eerste elektrische tramlijn die in Haarlem is opgeheven.

De lijn was het geesteskind van de architecten D.E.L. van den Arend en J.A.G. van der Steur, die in 1897 een reeks plannen indienden voor elektrische smalspoortrams in en rond Haarlem. Ze richtten de Eerste Nederlandsche Electrische Tram-Maatschappij (ENET) op en vroegen vergunningen aan voor een tramlijn naar Zandvoort, één naar Bloemendaal en voor een ringlijn in Haarlem (of Ceintuurbaan, zoals het een stuk deftiger kwam te heten). Makkelijk ging het allemaal niet. De betrokken gemeentebesturen stonden er ietwat aarzelend tegenover. Haarlem en Bloemendaal zetten speciale raadscommissies aan het werk voor de tramplannen en Zandvoort wilde in eerste instantie nog geen besluit nemen.

Uiteindelijk kwamen ze allemaal over de brug en begon de wedloop welke van de drie lijnen als eerste het predicaat ‘eerste Nederlandse elektrische tram met bovenleiding’ mocht dragen. Om een lang verhaal kort te maken: Zandvoort won. De elektrische tram maakte daar op 3 juli 1899 haar eerste rit. De Haarlemse Ceintuurbaan kwam drieënhalve week later, op 27 juli, als tweede over de finish. Maar zilver telt niet in de geschiedenis.

Waar het ook uitgesproken mee tegenzat, was met de aanleg van de Ceintuurbaan. Bij de Koninginneweg en de Kampervest bleek dat de rails niet op zand waren gelegd, maar op afval. Volgens tramkenner J.H.A. Duparc feitelijk een milieudelict. Ook de afwatering op dit deel van de route deugde niet, waardoor er na een flinke regenbui vijf tot tien centimeter water op het spoor kwam te staan. Het dwong de ENET tot voortdurende herstelwerkzaamheden aan de trambaan daar.

Een eindje verderop, bij de Emmastraat, kwam er weer een ander probleem naar boven. Nou ja, naar boven: de straat, en dus ook de trambaan, bleek daar maar liefst 35 centimeter te laag te zijn aangelegd. Het scheelde zo veel in hoogte dat het werk over moest, waardoor volgens het Haarlems Dagblad van 27 juni 1899 zelfs de opening van de lijn vertraagd dreigde te worden. Daar ging de eerste plaats van de Ceintuurbaan dus.

Wat ook verre van optimaal was, was de route van de tram. De Ceintuurbaan – die grotendeels dubbelsporig was aangelegd – liep ruwweg van station Haarlem via de Jansweg en de Jansstraat langs het Spaarne, naar de Kleine Houtstraat, Paviljoenslaan en Hazepaterslaan en terug door de Wagenweg, Koninginneweg, Wilhelminastraat, Kinderhuisvest, Kenaupark en Rozenstraat weer naar het station. Het was een ringlijn, inderdaad, maar de meest interessante plek in Haarlem, de Grote Markt, schampte de Ceintuurbaan slechts aan de oostkant – ver van de Kruisweg, het stadhuis en de Grote Houtstraat. Op de terugweg bleef de tram er zelfs nóg verder vandaan. Volgens Duparc is die relatief ongunstige route te wijten aan het feit dat er al een tramverbinding over de Kruisstraat en de Grote Markt liep: de in 1878 geopende paardentram tussen het station de Haarlemmerhout.

Of de Ceintuurbaan het zonder die tegenslagen wel had gered, is de vraag. Een feit is in elk geval dat de lijn te weinig reizigers trok. J.J. van Helden, Jac. De Graaf en J.C. de Wilde halen in hun boek ‘Trams en Tramlijnen, voorlopers van de Blauwe Tram’, een oude conducteur aan die vertelt dat hij op een dag tegen 11 uur ’s ochtends vier enkele reizen en één retour had verkocht. Totale opbrengt: 40 cent. Voor dat soort bedragen kon een maatschappij ook aan het begin van de twintigste eeuw geen tram laten rijden.

Op 1 januari 1929 viel feitelijk het doek voor de Ceintuurbaan. Grote delen van de oostelijke en zuidelijke route vervielen. Het westelijke deel van de Ceintuurbaan bleef nog in gebruik als stadslijn 4 (station-Emmastraat). Twee jaar later trok de NZH de lijn een stukje door via de lijn Haarlem-Zandvoort naar een nieuw eindpunt aan de Leidsevaart. Maar op 6 september 1934 was het ook met dit restant gedaan. Het deel van de Ceintuurbaan in de Jansstraat en Jansweg hield het nog het langst vol, zij het niet als smalspoor maar als opnieuw aangelegd onderdeel van de normaalsporige lijn 1 (Soendaplein-Heemstede). In 1948, net geen halve eeuw na de opening van de ringlijn, verdween ook hier de tram uit het straatbeeld.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s