Schuilen voor bommen aan de Rijnsburgerweg

Het kantoor van de busremise aan de Rijnsburgerweg, op de plaats van de voormalige NZH-tramremise.

Het kantoor van de busremise aan de Rijnsburgerweg, op de plaats van de voormalige NZH-tramremise.

Het was ooit de schatkamer én de vuilnisbak van de NZH. En bijna was het ook het kerkhof van Rayon Leiden. Hoe dan ook, het was een van de belangrijkste gebouwen van de trammaatschappij: de remise aan de Rijnsburgerweg in Leiden.

De enorme loods was een betrekkelijke laatkomer bij de NZH. Het lijkt misschien logisch om een remise te bouwen bij het beginpunt van een reeks lijnen, maar daar dachten de voorlopers van de trammaatschappij heel anders over. De NZHSTM had haar hoofdkantoor en stalling in Hillegom en de kustlijnen naar Katwijk en Noordwijk – die later in de NZH opgingen – hadden hun remises in de beide badplaatsen, en later in Rijnsburg. In Leiden had de NZHSTM helemaal niets. De stoomtrams reden gewoon terug naar hun stallingen in de Duin- en Bollenstreek.

Pas tegen het einde van de negentiende eeuw ontstond er behoefte om een deel van het materieel in Leiden onder te brengen. In 1898, zeventien jaar na het begin van de trammaatschappij, verrees er bij de Rijnsburgerweg, langs het HSM-spoor tegenover het Terweepark, een rijtuigenloods. Het was een behoorlijke hal met vier sporen en plek voor maximaal 24 rijtuigen. Maar het had bij lange na niet de omvang van de latere remise voor de elektrische tram, schrijft Dick van der Spek in zijn NZH-Railatlas.

Toen er in 1924 nieuw elektrisch materieel kwam, was dat voor de NZH aanleiding nog eens goed naar haar gebouwen te kijken. Ze besloot dat de remise in Rijnsburg voortaan de centrale werkplaats voor het rayon zou zijn. De stalling van de trams verplaatste ze naar Leiden. Op de plek van de rijtuigenloods aan de Rijnsburgerweg bouwde ze een nieuwe, 135 meter lange remise met daarin zes sporen. Aan de voorzijde van de hal kwam een kantoor en er naast een gebouwtje voor de afdeling Weg en Werken, die daar onder meer haar bovenleidingmontagewagen (onthoud dat woord voor het volgende potje scrabble) kon stallen. Achter de remise, aan de noordkant van het gebouw, lag een lang emplacement waar alle sporen uit de loods samen kwamen

In de jaren daarna bleef de NZH de remise verbouwen, uitbreiden en vertimmeren. Begin jaren 30 kwamen er binnen drie sporen bij, waardoor het aantal toenam tot negen. Buiten kwamen ook steeds meer sporen te liggen voor het opstellen van tramrijtuigen of voor het dienstmaterieel. Een van die sporen, een lijn pal naast de spoorlijn Rotterdam-Amsterdam, was de plek waar de NZH de in 1933 buiten gebruik gestelde stoomtrams liet slopen.

In de jaren 50 ging het terrein opnieuw ingrijpend op de schop. De NS brachten de treinbaan in Leiden omhoog, waardoor een deel van het emplacement naast de remise moest wijken voor de aanzienlijk bredere spoordijk. De NZH richtte het complex toen meteen maar opnieuw in. De meeste sporen in de remise kregen werkkuilen om reparaties te vergemakkelijken en achter het gebouw, op het emplacement kwam een enorme keerlus.

Dat het gebouw flink wat trams kon herbergen had het in de Tweede Wereldoorlog en eind jaren 40 en begin jaren 50 volop bewezen. Na de Spoorstaking in 1944 verhuisde al het materieel uit Rayon Leiden naar de Rijnsburgerweg. De NZH-directie had het uitgerekend en alles kon er net in. Zo hoefde ze maar één complex te bewaken en te onderhouden. Lekker praktisch dus. Maar ook buitengewoon riskant, om niet te zeggen idioot. Zoals Dick van der Spek in zijn NZH-railatlas schrijft: ‘Eén bom op de remise en de NZH zou bij de hervatting van de tramdiensten in zeer grote moeilijkheden zijn gekomen’. Met daarbij de aanvulling dat de Geallieerden het Leidse stationsgebied verschillende keren zwaar onder vuur hebben genomen, onder meer omdat er V2’s op transport gingen. En daarbij mikten de bommenwerpers niet altijd even nauwkeurig.

Aan het einde van de oorlog was de Leidse remise dus de schatkamer van de NZH. Een paar jaar later liep de hal opnieuw vol, maar nu als doorvoer- en later als dumpplaats van trammaterieel. Na de opheffing van de Haarlemse stadslijnen en de lijn Leiden-Haarlem verhuisde een groot deel van het wagenpark naar Leiden. Daar kwamen bovendien enkele aanhangrijtuigen bij van de in de Tweede Wereldoorlog vernielde tramlijn Vlissingen-Middelburg. Een van de grote sporen op het emplacement stond op een gegeven moment helemaal vol. Later zijn verschillende trams naar het tramstation in Scheveningen gebracht, in afwachting van een koper.

Na de opheffing van de dienst Voorburg-Den Haag-Scheveningen liep het remiseterrein opnieuw vol. Omdat de verkoop van trams niet erg vlotte, besloot de NZH eind jaren 50 de wagens meteen te slopen. Op het emplacement vond een groot aantal prachtige NZH-trams zo hun definitieve einde. Dat tafereel keerde een paar jaar later terug, na de opheffing van de kustlijnen en de stadslijn naar Oegstgeest.

De laatste grote verandering in de remise was eind 1960. De kantoren en een deel van de remise gingen tegen de vlakte om plaats te maken voor een nieuwe busgarage. Na de opheffing van de kustlijnen en de Leidse stadsdienst in het najaar van 1960, was het definitief gedaan met een van de grootste tramstallingen van de NZH.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s