De verdwenen monumenten van de Haarlemmermeerlijnen (1.4)

Ik ben begonnen met het herzien van hoofdstukken voor de vierde druk van Sporen 1. Sommige zullen in detail verschillen, andere zal ik compleet overhoop halen. De komende weken wil ik ze hier alvast publiceren. De tweede: De verdwenen monumenten van de Haarlemmermeerlijnen.

Hoeveel moois er ook bewaard is gebleven van de Haarlemmermeerlijnen, de lijst met gebouwen en objecten die zijn gesloopt is zeker zo lang. Op de drie lijnen die in dit boek onder de loep zijn genomen, Leiden-Hoofddorp, Haarlem-Aalsmeer en Aalsmeer-Amsterdam, zijn bijvoorbeeld niet minder dan zes van de twaalf stationsgebouwen verdwenen. Opmerkelijk genoeg zijn dit precies alle stations – op Hoofddorp zelf na – langs de lijn naar Leiden: Nieuw-Vennep, Leimuiden, Oude Wetering, Roelof-Arendsveen, Rijpwetering en Leiden-Herensingel.
De lijst met verdwenen spoorhuizen is net zo indrukwekkend. Ook hier is de helft van het aantal gebouwen tegen de vlakte gegaan: 19 van de 38. De schade is hier wat meer verdeeld over het gebied: vier in Hoofddorp, vier in Aalsmeer, drie in Amstelveen, twee in Alkemade en één in respectievelijk Haarlem, Rozenburg, Leimuiderbrug, Weteringbrug, Leiderdorp en Leiden. Twee van de verdwenen Hoofddorpse spoorwoningen zijn trouwens pas vrij recent gesloopt: die aan de Rijnlanderweg sneuvelde in 2004, die aan de Bennebroekerweg in juni 2006.

Behalve stations en spoorwoningen is er na de opheffing van de lijnen nog veel meer uit het landschap verdwenen. Om de stoomtrein destijds te kunnen laten rijden, was een omvangrijke infrastructuur nodig. De trein had water en kolen nodig, het personeel dat de seinen bediende moest onderdak hebben en de reizigers bij de stopplaatsen moesten kunnen schuilen. Voor al dit soort zaken moesten speciale bouwwerken komen. In het Utrechts Archief, waar ook de archieven van talloze spoormaatschappijen zijn ondergebracht, liggen de tekeningen die een overzicht geven van alles wat destijds is gebouwd, en weer is verdwenen.
Er zaten heel veel simpele bouwwerken tussen. Toch blijkt uit de tekeningen keer op keer dat de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij weliswaar van degelijkheid hield, maar er graag ook een speels tintje aan gaf. De abri’s waarin reizigers bij halteplaatsen konden schuilen, waren vakwerkhuisjes met een mooie bewerkte dakrand en fraaie lattenvenstertjes. Zelfs de privaatgebouwen waren in het oog springende bouwwerkjes, waarin de stijl en details van de stations op een subtiele manier terugkeerden.

De dienstgebouwen van de Haarlemmermeerlijnen bestonden echter niet alleen uit klein grut. Er zaten ook behoorlijk imposante objecten tussen. De waterreservoirs staken er letterlijk bovenuit. Bij station Leiden-Herensingel en station Leimuiden stonden ruim negen meter hoge gevaartes. In Leimuiden moest het water met behulp van een draaiwiel met de hand omhoog gepompt worden. De HESM wist wel hoe ze haar personeel aan het werk kon houden.
Een van de fraaiste dienstgebouwen was de locomotievenremise op emplacement Hoofddorp, op de plek waar nu de Burgemeester Pabstlaan langzaam naar het zuiden begint af te buigen. Het was een groot gebouw in de stijl van station Hoofddorp. Er liepen twee sporen naar toe, waarop zeker vier locomotieven gestald konden worden en met een voor die tijd geavanceerde pomp ook nog eens van water konden worden voorzien. De remise had de uitstraling van een fabriekshal uit het einde van de negentiende eeuw; een mooi industrieel gebouw dat helemaal niet had misstaan in het centrum van Hoofddorp.

Om haar treinen te kunnen laten rijden, moest de HESM ook een aantal minder voor de hand liggende bouwsels neerzetten. Een van de meest bijzondere, althans wat gebruik betreft, stond niet ver van de Hoofddorpse remise: de schotbalkenloods. De Haarlemmermeerlijn doorboorde bij de Kruisweg de Geniedijk. Aangezien de Waterlinie in 1912 nog steeds dé militaire verdedigingsstrategie was van Nederland, werd de HESM verplicht om iets regelen voor dat gat. De spoorwegmaatschappij moest ervoor zorgen dat de doorsnijding in geval van nood snel kon worden gedicht. Het heeft immers niet zo veel zin om de velden rond de Stelling van Amsterdam onder water te zetten als dat water via de lijn Leiden-Hoofddorp alsnog richting hoofdstad stroomt.
Op de Geniedijk was daarom een zogeheten schotbalkenloods neergezet. In de betonnen doorgang in de Geniedijk zaten sleuven waarin twee rijen balken geschoven konden worden. Door de ruimte tussen die rijen vol te storten met aarde, kon het spoorgat redelijk snel worden gedicht.
De schotbalkenloods was, zo blijkt uit de tekeningen, een eenvoudig bouwwerk van dennenhouten latten op grenen regels. De kopse kanten van de latten waren echter mooi afgerond, zodat het toch een elegant uiterlijk kreeg.
Het was een mooi gebouwtje, maar nu bijna volledig verdwenen. Bijna, want wie goed kijkt bovenop de Geniedijk, aan de oostelijke kant van de coupure, ziet een betonnen rechthoek uit het gras steken: de fundering van de oude loods. Het is als met zo veel van de Haarlemmermeerlijnen. Het is weg, maar eigenlijk toch ook weer niet.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s