Vijfenzeventig jaar na het eerste einde

Vandaag, oudejaarsavond 2010, is het precies 75 jaar geleden dat het doek begon te vallen voor de Haarlemmermeerlijnen. Toegegeven, het échte begin van het einde was op 6 oktober 1935, toen het personenvervoer tussen Aalsmeer en Uithoorn werd gestaakt. Dat was een klein voorproefje van wat komen ging. Bijna drie maanden later gooide de spoorwegmaatschappij de lijnen tussen Leiden en Hoofddorp, Hoofddorp en Haarlem en Uithoorn en Alphen aan den Rijn dicht. Compleet. Zo ongeveer de helft van het spoornet ging in één keer de vuilnisbak in.

Vanavond geen manifestaties in Leiden, Hoofddorp, Alphen en Haarlem ter gelegenheid van de sluiting. Ze ging destijds vrij geruisloos voorbij. Waarom dan nu wél een grote herdenking?

Om het trieste jubileum een beetje te gedenken, herhaal ik vanavond een column uit de Rijnbode van januari 1936 ter gelegenheid van de laatste rit van Bello vanuit Aarlanderveen. Ter voorkoming van misverstanden: het verhaal is een satire. Bijna niets in het relaas is ook werkelijk gebeurd. De schrijver heeft  alle gebeurtenissen uit zijn duim gezogen om plaatselijke bestuurders op de hak te nemen.

Maar het is wel geestig.

Een mooi 2011 gewenst.

Tusschen twee haakjes

U zult tevergeefs in de bladen hebben gezocht naar een verslag van de uitvaart van ,,Bello’’, die – het is herhaaldelijk aangekondigd – Dinsdagavond zijn laatsten rit naar Uithoorn heeft gemaakt. De pers zweeg in alle talen over dit afscheid – in het gunstigste geval heeft zij er een paar onverschillige woorden aan gewijd – en, afgaande op het totale gebrek aan belangstelling, zal men onwillekeurig neigen tot de conclusie, dat om de stopzetting van het Haarlemmermeerlijntje geen enkele traan is gelaten en dat derhalve dit besluit van de Nederlandsche Spoorwegen als een daad van wijs beleid moet worden beschouwd.
Wellicht zullen wantrouwende lieden daar meer achter zoeken. Is al niet den laatsten tijd herhaaldelijk van een zijde, die het weten kan, gewezen op de onbetrouwbaarheid van de Nederlandsche pers, die – met uitzondering natuurlijk van ,,Volk en Vaderland’’ – immers van corruptieve elementen aan elkaar hangt, haar lezers slechts voorzet, wat zij kwijt wil en hun onthoudt, wat zij in de eerste plaats behoorden te weten? Laat mij dat, mogelijk bij enkelen Uwer sluimerende wantrouwen jegens m’n collega’s mogen wegnemen.
In de eerste plaats dan dit: Er is wel degelijk afscheid genomen van ons poldertreintje, zij het dan niet aan het begin- of eindpunt, maar te Aarlanderveen. Diverse bladen hebben een invitatie ontvangen om bij deze plechtigheid tegenwoordig te zijn – voor de Rijnbode was de uitnoodiging persoonlijk aan ondergeteekende als de meeste serieuze medewerker gericht – maar niemand – met uitzondering alweer van ondergeteekende – heeft daaraan gevolg gegeven. Er bestond voor die weigering slechts één reden: de verslaggevers konden wel naar Aarlanderveen toe, maar waar het hier het afscheid van den laatsten trein gold, zouden ze er verder ten eeuwigen dage hebben moeten blijven en daar bleek niemand voor te vinden.
En zoo kwam het, dat ik op den avond van den 31sten december als eenige persvertegenwoordiger getuige mocht zijn van deze tragische plechtigheid, die mijn, voor gebeurtenissen als deze zoo ontvankelijk gemoed, wel zeer diep heeft geschokt.
Ik zal trachten in een sober relaas U een beeld te geven van dit afscheid.
In het, als chapêlle ardente ingerichte station verbeidden de notabelen en aankomende notabelen van Aarlanderveen weemoedig de komst van den laatsten trein, waarvan de bel voor deze gelegenheid vervangen was door een slap gespannen met rouwcrêpe overtrokken trommelvel, zoodat hij met een sinisteren roffel het station binnenliep. Alles was zwart en somber aan dezen trein: de lantaarns waren omfloerst, de met een rouwstrik omspannen schoorsteen blies de laatste zwarte rookwolken uit; het gelaat van den machinist was zwart als de Oudejaarsnacht, die het geheel omgaf.
Nauwelijks stond het gevaarte stil of uit de chapêlle ardente traden drie in het zwart gekleede, sombere gestalten, die hun diepe ontroering nauwelijks vermochten te verbergen en in wie wij door onze tranen heen de burgemeester van Aarlanderveen, de heer Verdonk, en de beide raadsleden, de heeren van ’t Riet en Cocx herkenden. De menigte schaarde zich rond dit drietal en ontblootte eerbiedig het hoofd. Daarop betrad de heer Verdonk naar voren om den diep betreurden vriend een laatsten groet te brengen.
Brave Bello, zoo zeide de heer Verdonk, wij zijn hier bijeen gekomen om nog eenmaal getuigenis af te leggen van den diepen weemoed als zoodanig, welke ons hart is binnengeslopen vanaf het oogenblik, waarop bekend werd, dat je ons voor goed zoudt verlaten. Wat je voor ons bent geweest, Bello, in de jaren, waarin je ons met de bewoonde wereld als zoodanig verbond, dat wij beseffen wij eerst nu en nóg beter zullen wij het beseffen op den dag van morgen als zoodanig…. Want van morgen af, brave vriend, zal de wereld voor ons gesloten zijn; Aarlanderveen zal als zoodanig uit de reisgids der Nederlandsche spoorwegen worden geschrapt en allen, die in ons mooie dorp gevestigd zijn, zullen terugvallen in het isolement als zoodanig, waaruit jij hen, nu ruim twintig jaar geleden hebt verlost. Mèt jou, Bello, voelden we ons trots als groot-stedeling, die zich door een trein als zoodanig van het eene eind van zijn woonplaats naar het andere laat brengen; zònder jou vallen we terug in de troosteloze verlatenheid en ware het niet dat onze dienaar van politie nu een doorverbinding heeft als zoodanig, wij zouden ons los van deze planeet en wel in de laatste plaats een deel van Alphen wanen. Namens alle Aarlanderveeners, Bello, dank ik je voor hetgeen je voor ons als zoodanig hebt willen zijn. Je hebt gewerkt zoolang het dag was, je deed je plicht zonder te vragen naar het hoe als zoodanig en het waarom en nu, op je laatste rit, terwijl wij hier allen diep onder de indruk van dit droevig afscheid als zoodanig….
Hier werd de ontroering den heer Verdonk te machtig, zoodat hij zijn rede moest afbreken.
Een plechtig oogenblik volgde echter nog, toen de heeren van ’t Riet en Cocx een zwart kleed over de machine spreidden, waarna laatstgenoemd raadslid en de heer Verdonk, die zich intusschen weer eenigszins hersteld had, aan beide zijden van den trein een plaats kozen om als slippendragers te fungeeren. Voorafgegaan door het muziekcorps ,,Excelsior’’, dat de treurmarsch van Chopin ten gehoore bracht en gevolgd door den heer D. de Knegt, die bloemen strooide op den ijzeren weg, verliet de droeve stoet het station.
Aan weerszijden van den gesloten overweg hadden zich autobusondernemers uit de Rijnstreek met hun wagens opgesteld en toen de laatste trein, weemoedig nagestaard door hen, die achterbleven, de afsluitboomen passeerde, brachten zij hem op hun claxons een welgemeenten, maar lichtelijk valsch klinkende afscheidsgroet.
Het laatste wat wij zagen en dat als een onroerende herinnering aan dit tragisch gebeuren ons ten eeuwigen dage zal bijblijven, was de heer van ’t Riet, die op de locomotief nog een laatste wanhopige poging deed den machinist te bewegen den dienst niet te staken.
(….)
Zie ook: http://www.groenehartarchieven.nl/

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s