Klaar. Echt waar?

De laatste correcties zijn gisteravond naar vormgeefster Petra Dekker verstuurd, die ze vandaag allemaal heeft verwerkt. De laatste, iets te lange hoofdstukken zijn ingekort, waarvan eentje bij Petra aan het bureau. Daar had ik aanvankelijk te veel het mes in gezet – dat hoofdstuk, bedoel ik – waardoor de opmaak weer uit het lood schoot. De voorpaginafoto is drie millimeter naar rechts gezet en in een onderschrift is het woordje ‘na’ veranderd in ‘tijdens’. Want op de foto van Cock Willers staat het privaatgebouw bij station Mijdrecht staat duidelijk midden in de afgraving van de vervuilde grond en niet, zoals nu, in een keurige zandvlakte. Na deze laatste paar wijzigingen kreeg ik een pdf van 150 mb groot: mijn boek in hoge resolutie.

Dat zou ik natuurlijk online kunnen zetten, maar ik geloof niet dat mijn uitgever daar erg vrolijk van wordt. Hoewel ik er zelf nog niet eens zo bang voor ben. Een boek als Sporen wil je in je handen hebben, denk ik. Zo’n pdf bladert niet lekker.
Maar hoe dan ook: ik ben klaar. Morgen wordt het naar de drukker geupload en dan kan ik er niets meer aan doen. Ik wil er ook niets meer aan doen. Het is goed zo.

Een voor de hand liggende vraag is misschien: viel het mee?
Het voor de hand liggende antwoord is: nou nee. Een boek schrijven valt nooit mee. En als het wel meevalt, moet je je afvragen of je het wel goed hebt gedaan.

Mijn grootste zorg was of ik alle bewoners van de spoorhuizen en stations te spreken kon krijgen. Bij Sporen 1 werd ik (echt waar!) door een enkele bewoner opgebeld met de vraag: komt u nog langs, of hoe zit dat? De bewoners stonden te trappelen om met me te praten. Bij Sporen 2 moest ik her en der enige druk uitoefenen om mensen zo ver te krijgen dat ze me te woord wilden staan. Van een bewoner mocht ik na lang aandringen het huis bekijken, maar hij wilde er zelf niets over zeggen. Toen ik er eenmaal was, ontdooide hij langzaam waardoor er uiteindelijk toch een heel aardig verhaal te maken was. Een andere bewoner hield me eerst aan het lijntje, zei vervolgens dat hij er niet zo veel zin in had en werd zelfs een beetje boos toen ik voor de derde keer aandrong. Na wat vriendelijke overreding stemde hij uiteindelijk toch toe, maar vervolgens noteerde ik een verkeerde tijd waardoor hij tamelijk boos was vertrokken toen ik uiteindelijk een uur te laat arriveerde. Na buitengewoon nederige excuses stond hij me alsnog te woord.

Het klinkt een beetje als een trofeejager, maar na dat laatste gesprek was ik best wel trots. Ik had in een paar jaar tijd bewoners of gebruikers van alle resterende spoorhuizen van de Haarlemmermeerlijnen gesproken. En alle lijnen nagelopen, -gefietst en -gereden. Het zal geen vermelding opleveren in het Guinness Book of record – ik mag hopen van niet – maar ik ben er best trots op.

Maar goed, vervolgens moest alles nog in een boek worden geperst. Ik had deze keer bijna obsessief gestreefd om zo veel mogelijk tekst aan te leveren. Bij Sporen 1 zorgde dat namelijk tot een kleine hartverzakking. Toen ik destijds, februari 2007, alles had ingeleverd bleef het een paar weken ijselijk stil. Ik wist dat begin maart alles moest worden doorgestuurd naar de drukker, maar ik had eind februari nog steeds taal noch teken van de toenmalige vormgever gehoord. Op 2 maart 2007 kwam hij opeens met ontwerp los. Het ging prima, meldde hij. Mijn teksten en foto’s waren heel bruikbaar. Alleen, eh… hij kwam nog 20 pagina’s te kort, het leek hem leuk om bij elk hoofdstuk in de kantlijn een citaatje te plaatsen – dus of ik er zo spoedig mogelijk een stuk of 67 kon leveren – en, o ja, een kleine 150 onderschriften graag.

Het werd een van mijn meest wanhopige weekeinden toen, dat eerste weekeinde van maart 2007. Ik nam vrijdagavond plaats achter mijn computer, werkte door tot een uur of twee, stond ’s ochtends om acht uur weer op, werkte opnieuw door tot een uur of twee en had zondagavond om een uur of  negen langzamerhand het idee dat Sporen een beetje op orde begon te komen. Ik had drie extra hoofdstukken geschreven, een kleine 20 extra foto’s geregeld, onderschriften en citaten gemaakt, alle teksten doorgelezen, verkeerd geplaatste foto’s gecorrigeerd, de volgorde in het boek aangepast en nog een paar koppen veranderd.

‘Dit nooit meer’, riep ik toen nog, niet wetende dat er nog een zeer intensieve maandag bij de vormgever zelf zou volgen. Toen ook die om één uur ’s nachts was afgerond, riep ik: ‘ Dit dus echt nooooit meer.’

Maar een jaar later ging het toch weer kriebelen.

Zo intens als in 2007 was het nu gelukkig niet. Toen was het één weekend tot het uiterste doorbuffelen. Dat is nu geen enkele keer gebeurd. Aan de andere kant: als ik nu alle weekeinden, avonden en vrije dagen bij elkaar optel, kom ik wat de vormgeving betreft het dubbele uit. Het is minder heftig, maar niet minder.

En toch: dit zijn wel de dagen die je bij blijven. Ik herinner me de wanhoop, de vermoeidheid en de stress heel goed. Maar als dat achter de rug is, kijk je er bijna nostalgisch op terug.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s