Bijl spreekt

Wat zouden ze ir. J.G. Bijl te drinken hebben gegeven voordat hij zijn toespraak voor de Kamer van Koophandel en Fabrieken Haarlem en omstreken gaf? En wat zullen de leden in de zaal van zijn geestverruimende toespraak hebben gevonden? Het Tijdschrift voor Economische Geographie, van 15 november 1935, 26ste jaargang no. 11, meldt helaas niet hoe de zaal op de woorden van ir. Bijl reageerde. Ongetwijfeld is er geapplaudisseerd. Als een van de grondleggers van de Haarlemmermeerlijnen zijn gedachten rond de redding van de spoorlijn uiteen zet in een rede die zo belangrijk wordt gevonden dat die later integraal wordt opgenomen in het vakblad van de economische geografen, dan mag je wel even klappen. Al zullen sommigen dat waarschijnlijk hebben gedaan met een enigszins tollend hoofd.
De Kamer van Koophandel en Fabrieken houdt op vrijdag 13 september 1935 een vergadering in de Beurs in Hoofddorp om te kijken hoe de Haarlemmermeerlijnen behouden kunnen blijven. De spoorwegen hadden aangekondigd dat grote delen van het net dicht zouden gaan. De Haarlemse en Haarlemmermeerse ondernemers voelen daar niets voor, maar ze begrijpen wel dat de portemonnee getrokken moet worden als ze willen dat het net open blijft. ir. Bijl is gevraagd daar zijn licht over te laten schijnen.

Een prima adviseur, zo op het eerste gezicht. Bijl werkte tien jaar lang bij de aanleg van de Haarlemmermeerlijnen tussen Hoofddorp en Haarlem en Leiden, voordat hij aan de slag ging als polderingenieur in Haarlemmermeer. Hij kent dus én de spoorlijn én het gebied op zijn duimpje. Wat wil een mens nog meer?
Het begin van Bijls toespraak is veelbelovend. Hij neemt zijn publiek mee naar die mooie 2de augustus 1912, nog maar 23 jaar geleden, toen hij en vele anderen in diezelfde Beurs aanschoof voor een feestmaaltijd ter ere van de nieuwe spoorlijn. Hij wijst zijn toehoorders op twee schilderijen die toen zijn geschonken – ‘de Meer voorheen’ en ‘de Meer thans’ en wendt daarna weemoedig het vizier op het besluit om de spoorlijn op te heffen. ,,Wel berichtte de Spoorwegdirectie, dat het in haar bedoeling lag om zoo mogelijk maatregelen te nemen waardoor de overige Haarlemmermeerlijnen in exploitatie kunnen blijven, doch zij voegde daaraan toe óf en zoo ja tot welk bedrag op jaarlijksche bijdragen tot dekking van het exploitatietekort gerekend kon worden”, lijkt hij vervolgens snel ter zake te komen.

Líjkt, want in werkelijkheid stijgt ir. Bijl na deze zin tot grote hoogten. Als een adelaar zeilt hij door het luchtruim, waarbij hij zijn publiek nauwgezet informeert over de magnifieke uitzichten die hij heeft, zonder dat het waarschijnlijk ook maar het flauwste benul heeft waar de ingenieur naar toe wil.

Bijl legt zijn toehoorders uit waarom de aanleg van spoorwegen in de negentiende eeuw vergeleken met het buitenland zo traag verliep – vanwege de uitstekende waterwegen en prima straatwegen was er nog weinig behoefte aan – kraakt en passant het crisisbeleid af – de aanleg van autowegen als werkverschaffing kost op de lange termijn juist banen – noemt het onjuist dat investeringen in verkeer en vervoer onmiddellijk rendabel moeten zijn, haalt met instemming een uitspraak van minister van waterstaat Jhr. Ir. O.C.A. Van Lidth de Jeude aan – die stelde dat het goed is om met nieuwe verkeersontwikkelingen rekening te houden, maar dat het toe een ontzaglijk kapitaalverlies leidt als de oude verkeersmiddelen dan meteen maar overboord worden gegooid – enzovoorts, enzovoorts.
De ingenieur lijkt een hogedrukketel vol kennis die op onverwachte momenten stromen willekeurige informatie naar buiten spuit. Hij neemt hij zijn luisteraars mee naar het jaar 1553, toen een plakkaat verbood om tussen Gouda en Haarlem andere dan de voorgeschreven vaarwegen te volgen, op straffe van verbeurdverklaring van de goederen en zelfs naar het jaar 1244, toen er reeds sprake was van een kraan in de Gein. Bijl legt de ontwikkeling van spuisluizen via kolksluizen tot schutsluizen uit en spreekt zijn verwondering uit over het feit dat de Overtoom in Amsterdam tot 1808 moest wachten voordat het kon profiteren van een sluis, een uitvinding die dus reeds vijfenhalve eeuw daarvoor was gedaan.
Toch, op driekwart van zijn toespraak, glijdt hij langzaam, heel langzaam, terug naar het onderwerp van de vergadering. En hij ontvouwt daarbij helemaal geen gekke gedachten. Ingenieur Bijl haalt een uitgangspunt van de regering aan, die meent dat alle verkeersmiddelen volgens commerciële middelen moeten worden geleid. En dat terwijl diezelfde regering wel uit rijksmiddelen in hoog tempo autowegen aanlegt, die de spoorwegen concurrentie aan doen. Dat is oneerlijk, vindt ingenieur Bijl en hij meent dat het rijk net zo veel belasting of tol moet heffen tot het concurrentieverschil is weggewerkt.

Hij zou met dit punt ongetwijfeld goed zou hebben gescoord als hij het had uitgewerkt, maar vlak voordat hij lijkt toe te slaan, stijgt hij weer op en begint een bijna onnavolgbare verhandeling over de conjunctuurgevoeligheid van het vervoer van landbouwproducten in en rond Haarlemmermeer, waarbij hij met verschillende grafieken aantoont dat dat best wel meevalt. Hij besluit dit punt met de stelling dat vervoersbedrijven in deze economisch moeilijke tijden een sociale taak hebben en zo veel mogelijk mensen aan het werk moeten houden en dat ze als ze die niet kunnen steun moeten krijgen van de overheid – betaald met hogere belastingen op het autoverkeer.
Ook een aardige gedachte, maar voordat de zaal dat op zich in kan laten werken, slingert Bijl alweer de volgende inval de Beurs in. Haarlemmermeer is een ideaal gebied voor tuinsteden vol met heen en weer pendelende forenzen – die dan natuurlijk wel een verbinding moeten hebben om mee te kunnen pendelen. De ingenieur is met deze visie zijn tijd zeker dertig jaar vooruit, en wat het openbaar vervoer betreft bijna zeventig jaar. Want zo lang zal het nog duren voordat de Zuidtangent gaat rijden en er eindelijk weer iets is dat de dorpen en steden in het gebied net zo goed verbindt als het spoorlijntje. Bijl stipt het aan en dendert verder.

Maar ten slotte, na alle uitweidingen en vergezichten – in het Tijdschrift voor Economische Geographie praat hij acht dicht bedrukte bladzijden vol – komt hij bij de twee vragen waarover de leden zich deze bijeenkomst moeten buigen. Moet de regio meebetalen aan de Haarlemmermeerlijnen? En wat zal ze dat dan kosten?
De eerste vraag beantwoordt Bijl met een volmondig ‘ja’. De tweede met een verbijsterende: ‘Een gulden’. Dat moet het eerste aanbod zijn van de regio, meent hij. En als de spoorwegmaatschappij dat niet genoeg vindt, en Bijl kan zich voorstellen dat dat het geval is, moeten ze goed onderhandelen om te kijken wat er dan nodig is.

Kennelijk beseft hij zelf ook dat dit niet het voorstel is waarop de zaal zit te wachten. ,,Naar ik verneem waren er onder de belangstellenden in deze materie enkelen die dachten, dat ik door het geven van een inleiding het hen gemakkelijk zou maken een beslissing te nemen. Het tegendeel is waar. Ik stelde mij geen ander doel voor oogen, dan op de groote beteekenis der te nemen besluiten te wijzen en om hen, die terstond met een oordeel klaar stonden, duidelijk te maken hoe moeilijk het is, de door de spoorwegdirectie gestelde vragen juist te beantwoorden.”

Kortom, zoek het maar uit.

In het daarna verschijnende Tijdschrift voor Economische Geographie helpt een andere ingenieur hem een handje met het beantwoorden van de vragen, op een niet mis te verstane wijze.

Advertisements

One thought on “Bijl spreekt

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s