Doe er nog maar een halte bij

De gemeentebesturen barsten in juichen uit als de HESM eind negentiende, begin twintigste eeuw bij hen aanklopt met haar spoorplannen. Ze willen graag meewerken, ook financieel. De ene plaats geeft een bedrag in eens, een ander een rentegarantie en een derde een jaarlijkse subsidie. Geld speelt geen rol. Maar ze willen er wel graag wat voor terug.

Een groot deel van wat nu het Groene hart heet, is rond 1900 slecht bereikbaar. Om het voorzichtig te zeggen. Wie een dorp verderop familie wil bezoeken, is zo een paar uur kwijt. En wie de streek uit wil, moet daar een dag voor uit trekken. Fietsen zijn duur, auto’s zijn onbetaalbaar en openbaar vervoer vrijwel onbereikbaar, als het al bestaat.
Als de Hollandsche Electrische Spoorweg-Maatschappij haar plannen ontvouwt, happen de gemeenten enthousiast toe. Ze betalen er graag aan mee, maar dan moet de trein natuurlijk wel in het dorp stoppen. Anders hebben de bewoners er nog niets aan.
En zo krijgt het ene boerengat na het andere een statig stationnetje. Daar houdt het voor veel gemeenten echter niet mee op. Als de spoorwegmaatschappij dan toch aan het bouwen is, kan er in het buurtschap net buiten het dorp dan niet ook een stationnetje komen? Of een halteplaats? Een abri desnoods?

En als de gemeenten zelf niet aandringen, doet de bevolking het wel. Veertig omwonden van het Zuideinde in Nieuwkoop richten zich tot de gemeenteraad in de hoop dat ook hun buurtschap een stopplaats krijgt. De raadsleden kloppen vervolgens met succes bij de spoorwegmaatschappij aan.

De HESM doet niet moeilijk, constateert historicus Jan van Es in een terugblikartikel rond de definitieve sluiting van de Haarlemmermeerlijnen. Zo verschijnen er haltegebouwen aan de Zuideindscheweg (inderdaad, voor de bewoners van Zuideinde) in het gehucht De Kwakel bij Aalsmeer, in het buurtschap Oukoop, in De Hoek en ga zo nog maar even door. Plekken waar zelfs nu nauwelijks leven van betekenis is te vinden, krijgen in de jaren ’10 van de vorige eeuw opeens een officiële vermelding in het spoorboekje.
Dat had zijn prijs, merkt Van Es op. De reistijden lopen lekker op als er bij elke aardkluit gestopt moet worden. Daardoor wordt de trein minder interessant voor het merendeel van de reizigers, mensen die gewoon zo snel mogelijk van het ene grote station naar het andere willen.
Na een enthousiast begin, lopen de bezoekcijfers daarom gestaag terug. Om de boel een beetje op te peppen, gooit de HESM vanaf de jaren ’20 de ene na de andere halte dicht. Oukooperdijk bij Oukoop, Zijdelweg in Uithoorn en Middenweg in Mijdrecht gaan op 1 juni 1922 dicht, de Zuideindscheweg op 1 april 1923, Koenenkade in Amsterdam op 1 juni 1923, Kalfjeslaan op 5 juni 1925, de Kanaalweg in Amstelveen op 15 mei 1932 en de Kerkweg en Lijnbaan in Aalsmeer, de Nieuweweg in Haarlem en de Bennebroekerweg en de Venneperweg in Haarlemmermeer een week later, op 22 mei 1932.

Het is trouwens interessant om uit te zoeken, maar dat is een notitie aan mezelf, of de sluitingen puur te maken hadden met een gebrek aan bezoekers, of dat ze misschien ook iets te maken hebben met het feit dat allerlei langlopende subsidieovereenkomsten de einddatum hebben bereikt?
Hoe dan ook, de dienstregeling wordt door het grote aantal geschrapte stopplaatsen een stuk efficiënter. De maatregelen kunnen het tij echter niet keren. De opkomende busmaatschappijen, die veel flexibeler zijn en geen haltehuizen hoeven neer te zetten als ze ergens willen stoppen, kapen steeds meer passagiers weg. En zo vervalt de trein in krap een kwart eeuw tijd van een geschenk uit de hemel tot een treurig, eenzaam boemeltje.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s