In het spoor van een verdwenen trein

Het is op oudejaarsavond 1935 opmerkelijk druk op station Hoofddorp. Hoewel het een trieste dag is, is het er niet eens ongezellig. Een verslaggever van de Hoofddorpsche Courant schrijft later dat hij op het emplacement een halfstok gehesen vlag had verwacht, rouwkransen en een treurmuziek spelend muziekkorps. Daarvan is niets te vinden. Er zijn wel een enkele honderden Hoofddorpers, die de viering van oud en nieuw even hebben gelaten voor wat ze is, om samen een historisch moment te beleven.
De reden van hun samenkomst, een oude stoomlocomotief met daarachter enkele rammelende wagons, rijdt keurig op tijd om zes over elf het station om binnen. Na een lang fluitsignaal stopt het laatste treintje van de Haarlemmermeerlijnen op station Hoofddorp. Passagiers zitten er niet in, alleen de conducteur. Er is geen afscheidsrede, geen ceremonie, zelfs de stationschef laat zich niet zien. Een paar jongens steken vuurwerk af als het treintje knarsend tot stilstand is gekomen en blazen op hun  papieren feesttoeters, maar dat is het dan wel. Als de stoomlocomotief later als een schim in de nacht is verdwenen, gaan talloze Hoofddorpers nog snel langs het loket om de aller-, allerlaatste treinkaartjes te bemachtigen.

De Haarlemmermeerlijnen zijn eigenlijk een hopeloze financiële mislukking geweest. Vrijwel vanaf de allereerste rit in 1912, moet de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij (HESM) er geld op toeleggen. De reizigersaantallen blijven veel te laag, terwijl de kosten de pan uitrijzen. De grootste prestatie van de lijnen is misschien wel dat ze het nog ruim 23 jaar hebben uitgehouden.
En de behoefte aan een spoorlijn door de Haarlemmermeer leek nog wel zo groot. Al in 1844, vijf jaar nadat de eerste trein door Nederland reed en op een moment dat de polder nog moet worden drooggemalen, komt er een plan op tafel voor een rechtstreekse verbinding tussen Amsterdam en Leiden dwars door Haarlemmermeer. De Schiphollijn avant la lettre, op een moment dat Schiphol nog een punt was waar schepen vergingen.
Na de droogmaking, als de polder een nagenoeg onbereikbaar oord blijkt, met veel te drassige en veel te smalle wegen, lanceert burgemeester Amersfoordt een nieuw en zeer uitgewerkt plan. Hij wil een rechtstreekse verbinding tussen Zandvoort en Hoofddorp en één tussen Amsterdam en Leiden langs Hoofddorp en Nieuw-Vennep. Het plan lijkt in 1864 veel kans te maken, het krijgt zelfs steun van de koning, maar het wordt uiteindelijk door de minister van binnenlandse zaken geblokkeerd. Die vreest grote problemen met de aanleg van de lijn in de op dat moment nog veel te slappe bodem van de Haarlemmermeer.

Vijfentwintig jaar later, rond 1889, komt de spoorlijn door de polder opnieuw om de hoek kijken. De Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij wil de grote, witte vlek op de kaart tussen Amsterdam, Haarlem, Leiden en Utrecht opvullen met een wijdvertakt net. Hoewel dat in de jaren ’90 van de negentiende eeuw al min of meer zijn definitieve vorm krijgt, kan het door een lange reeks aan bestuurlijke en organisatorische strubbelingen pas rond 1912 worden geopend. Zelfs dan is een belangrijk deel van de lijnen nog niet klaar. Pas drie jaar later, in 1915, is het hele net aangelegd.
De naam van dit spinnenweb aan treinverbindingen is Haarlemmermeerlijnen, hoewel Haarlemmermeer maar een betrekkelijk klein onderdeel is van het net. De lijnen hebben uitlopers naar Alphen, Ter Aar, en zelfs Vinkeveen en Nieuwersluis. Er rijden louter stoomtreinen, hoewel de naam van de exploitant, Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij, anders doet vermoeden. De HESM heeft echter al heel snel door dat elektrische aandrijving te duur is voor de lijnen.
Waar de maatschappij niet op beknibbelt, is de kwaliteit van het spoormaterieel. De locomotieven en treinstellen zijn splinternieuw, terwijl veel andere spoorbedrijven voor hun lokale lijnen de afdankertjes van de hoofdlijnen gebruiken. Het materieel is, naar de maatstaven van 1912, ook tamelijk luxueus, al zal een moderne treinpassagier de houten banken van de wagons niet erg comfortabel hebben gevonden.
De HESM steekt ook heel veel geld in haar stations en spoorgebouwen. Langs de 110 kilometer van de Haarlemmermeerlijnen verrijzen niet minder dan 27 stationsgebouwen en 66 spoorhuizen. Bij zo ongeveer alle belangrijke overgangen en bruggen staan wachterhuizen, van waar uit het personeel de spoorbomen sluit en de brug ophaalt. Nabij de stations zijn spoorwoningen neergezet om het overige personeel te huisvesten. Die woningen zijn een mooi lokkertje voor werknemers, al moet erbij worden gezegd dat de HESM in veel gevallen ook wel verplicht was die woningen te bouwen. De woningnood is groot in die tijd, vooral in Haarlemmermeer, en gemeenten hebben geen zin om hun beperkte woningvoorraad op te offeren voor die spoorlui.

Na een stormachtige toeloop in de eerste paar weken  de allereerste treinen trekken ongelooflijk veel bekijks en iedereen wil een ritje maken in dit wonder van techniek  zakt de belangstelling snel in. De Haarlemmermeerlijnen blijken niet meer dan een lokaal boemeltje. Op sommige dagen, als er kermis is in Haarlem, of als schaatsliefhebbers uit Amsterdam de dichtgevroren meren opzoeken, puilen de treinen uit, maar meestal is het aantal reizigers niet om over naar huis te schrijven. Als in de jaren ’30 de crisis uitbreekt en bovendien de autobus opkomt, die veel frequenter rijdt, goedkoper is en een veel uitgebreider netwerk onderhoudt, is het snel gedaan met de trein.
In enkele gemeenten duiken er actiecomités op om de trein te redden. In Roelofarendsveen, waar tuinders veel belang hebben bij het spoor voor het vervoer van hun producten, wordt er zelfs voor gepleit om de buslijnen te schrappen zodat de trein weer wat rendabeler wordt.
Het is allemaal tevergeefs. Op 1 januari 1936 worden de belangrijkste delen van de Haarlemmermeerlijnen opgeheven, waaronder de tracés tussen Haarlem en Hoofddorp, en tussen Hoofddorp en Leiden. Op sommige stukken houdt de trein nog een aantal jaren stand  rond Aalsmeer en Amstelveen zelfs tot 1950, terwijl het goederenvervoer tussen Aalsmeer en Uithoorn pas in 1973 stopt  maar voor het overgrote deel van de lijnen valt in 1936 het doek.

De trein verdwijnt in de mist, zoals de verslaggever van de Hoofddorpsche Courant het op die oudejaarsavond in Hoofddorp beschrijft. Toch zijn de resten van de lijnen, ruim zeventig jaar na de opheffing, nog altijd terug te vinden in de polders tussen Leiden, Haarlem, Aalsmeer en Amsterdam. Soms nauwelijks herkenbaar, soms minuscuul of in een totaal onverwachte vorm, maar ze zijn er wel. In de hoofdstukken hierna worden ze stap voor stap in kaart gebracht.

Wim Wegman

Leiden, 3 januari 2007

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s